BERINGEN

Met heel veel dank aan Annemiek die het uren en dagen uitzocht en het ons op geweldige manier bijbracht.

Kleine plaatjes aanklikken voor meer foto's
Beringen wordt voor de eerste maal vermeld in 1120 als "Beringe".
Deze naam is afkomstig van het Frankisch en betekent "nederzetting van Bero".
Beringen was een allodiale heerlijkheid, die ingevolge giften van de heilige Adelard omstreeks het einde van de achtste eeuw eigendom was van de abdij van Corbie.
Gedurende de middeleeuwen had de graaf van Loon de voogdij over de heerlijkheid. Graaf Arnold IV verleende in 1239 aan Beringen dezelfde vrijheden als de stad Luik. Beringen was één van de steden van het graafschap Loon , dat later deel ging uitmaken van het prinsbisdom Luik.
Twee burgemeesters, een voor de stad en een voor de buitingen, stonden aan het hoofd van de gemeente. Beringen was omringd met de wallen en grachten, die samen met de drie stadspoorten in het begin van de negentiende eeuw gesloopt werden. Rond de stad waren acht "motten", noodtorens omringd door een gracht.
In 1700 werd de in de twaalfde eeuw opgerichte Latijnse school tot een gemeentelijke college omgevormd.
De parochie Beringen strekt zich aanvankelijk ook uit over het grondgebied van Paal en Heusden. Even voor 1400 werd Heusden echter een afzonderlijke parochie. In 1708, na heel wat strubbelingen, was ook Paal zover.
Beringen is de geboorteplaats van August Cuppens, de bekende priester-dichter. Beringen is de zetel van het gelijknamige kanton en dekenaat.
Reeds in 1876 kwam professor G. Lambert tot de wetenschappelijk gefundeerde stelling dat er in het Noorden van BelgiŰ steenkool moest te vinden zijn. Zijn leerling en opvolger A. Dumont bevestigde en argumenteerde deze theorie opnieuw, doch de overheid reageerde niet op zijn voorstellen om proefboringen uit te voeren.
Uiteindelijk kon A. Dumont zelf, met enkele medewerkers, een exploitatiemaatschappij oprichten in 1898. In 1901 werd, aan de hand van een geslaagde boring, de theorie bevestigd en werd een eerste steenkoolmonster uit de Kempense ondergrond naar boven gehaald. Van dan af ging alles zeer vlug. Tal van groepen voerden boringen uit en dienden concessieaanvragen in. De eerste concessie werd pas in 1906 toegekend. Einde 1907 waren er reeds 9 concessies waarvan er uiteindelijk 7 uitgebaat werden (Winterslag in 1917, Beringen en Eisden in 1922, Waterschei en Zwartberg in 1924, Zolder in 1930 en Houthalen in 1939).

De kolenproductie in de Kempense Mijnen kende haar hoogtepunt na de tweede wereldoorlog en lag mee aan de basis van de nieuwe economische ontwikkelingen van BelgiŰ. In het begin van de jaren vijftig werd de mijnwerker de Ereburger van ons land genoemd.
In 1957 ontstond, ten gevolge van een overaanbod van goedkope aardolie, een ware steenkolencrisis en werden de mijnen verlieslatend. Zolder en Houthalen fusioneerden in 1964.
Zwartberg werd begin 1966 gesloten. De vijf resterende steenkolenmijnen, alle zwaar verlieslatend, gingen in 1967 op in de N.V. Kempense Steenkolenmijnen die de exploitatie met staatssteun verder zette.
De eerste oliecrisis en de daarmee gepaard gaande onzekerheid in de energievoorziening bracht mee dat de Kempense Steenkolenmijnen, die reeds tot sluiten gedoemd waren, plots opnieuw belangrijk werden als energiebron en als werkgever in crisistijd.
In het begin van de tachtiger jaren volgde een tweede olieschok waardoor de kolenprijzen op de wereldmarkt naar een historisch dieptepunt evolueerden. Toen stond het vast dat de Kempense Mijnen definitief verlieslatend zouden blijven en in 1986 werd tot sluiting beslist.
In Beringen werden de laatste kolen bovengehaald op 28 oktober 1989
 
 
In 1977 werden de gemeenten Beringen, Beverlo, Koersel en Paal gefusioneerd. Hierdoor groeide Beringen uit tot ÚÚn van de voornaamste gemeenten van Limburg.
Beringen, het centrum van de vier deelgemeenten, is wellicht het oudste stadje van de Kempen: reeds in 1239 ontving Beringen de stadsrechten door een vrijheidskeure, verleend door graaf Arnold IV van Loon en abt Hugo van de Abdij van Corbie.
Veel ouder dan het verkrijgen van de stadstitel is de plaatsnaam 'Beringen'. Uit de verschillende elementen in de naam valt af te leiden dat de oorspronkelijke naamgeving dateert uit de tijd van de Germanen.
Naast het bezit van de stadsrechten mag Beringen zich ook sinds heugelijke tijden beroemen op een eigen wapenschild
 
Bezienswaardigheden
De mijnterril: Steenkool die boven gehaald werd, moest door "wassing" gescheiden worden van stenen. Zo ontstond de steenberg of mijnterril.
Na de sluiting van de mijnen werd de mijnterril bezaaid en werden er wandelwegen aangelegd. Op de top heb je een indrukwekkend panorama over de gehele mijncitÚ en de einder reikt tot aan de terrils van de andere mijngemeenten
De mijnkathedraal, ÚÚn van de mooiste Limburgse mijnkathedralen. De kerk is tussen 1939 en 1943 opgetrokken in Byzantijnse stijl. De donkere galerijen staan symbool voor de ondergrondse mijninfrastructuur.

De Fatih Moskee, ÚÚn van de grootste in BelgiŰ. Je maakt er kennis met de Islam en de daarbij horende architectuur van de moskee.

De mijncitÚ. Rondom de mijn ontstond een volledig dorp met woonwijken, winkels, sportvelden, een cultureel centrum, een wandelpark,… 

Het "Park van de Directeur". In 1912 werd voor de toenmalige mijndirecteur een villa ("kasteeltje") ontworpen. Dit "kasteeltje" stond temidden unieke franse en engelse tuinen, op een oppervlakte van 5 ha. De vergane glorie van weleer kreeg begin 2000 een grondige face-lift: het park werd gerenoveerd en opnieuw aangeplant. Je kan er weer aangenaam verpozen en genieten van de rust.
Gemeenten van Beringen

Beverlo

Uit allerlei opgegraven voorwerpen kan worden afgeleid dat Beverlo zeer oud is, evenals uit de vanouds gekende gemeenschappelijke velden rondom de driehoekige "biest" en de vele oude plaatsnamen.
Het Frankische "lo" in de naam betekent "bos". Beverlo behoorde vroeger tot het land van Ham, dat Oostham, Kwaadmechelen, Beverlo, Heppen en Leopoldsburg omvatte.
Het bleef ÚÚn uitgestrekt gebied tot in 1795. Toen werden Oostham, Kwaadmechelen en Beverlo zelfstandige gemeenten.
Het "Kamp van Beverlo", dat in 1835 werd opgericht, werd geleidelijk bij gedeelten gehuurd en aangekocht naargelang de legerleiding het nodig achtte.
Heppen en Leopoldsburg werden zelfstandig in 1850.In 1938 werd Korspel als afzonderlijke parochie ingericht

Korspel

Korspel door de eeuwen heen.
Verschillende publicaties verklaren de naam Korspel als volgt: Het woord bestaat uit twee delen : “KOR” en “SPEL”. “Kor” zou een afkorting zijn van Korst, op zijn beurt een vervorming van Kirst en Kerst. “Spel” komt in veel plaatsnameri voor die dateren uit de eerste kerstening van onze gewesten. “Korspel” zou dus een plaats kunnen geweest zijn waar men al in vroege tijden naar de prediking van wat we nu noemen missionarissen kwam luisteren. Korspel zou dus al in de vroege middeleeuwen een naam gekregen hebben. Merkwaardig en eigenlijk ongelooflijk. Maar niet onmogelijk!
Een andere verklaring zou zijn dat in Korspel een paal stond die de scheiding van Beverlo met Koersel aanduidde. Koersel” en “Paal” zouden in de loop der tijden samen vervormd zijn tot Korspel. Ook aannemelijk. Dezelfde bronnen (en andere) beweren dat rond 1500 de eerste huizen in Korspel werden gebouwd. In 1645 werd de nu nog actieve Sint-Antoniusgilde opgericht. De eerste huizen werden gebouwd langs de weg Beverlo- Koersel, vergelijkbaar met de huidige Korspelsesteenweg-Stalsesteenweg. De grond was er arm. De boeren moesten hard werken voor een arm bestaan. Ze concentreerden zich voornamelijk op schapenteelt, bijenteelt en rogge, haver, boekweit en vlas. Vlasproductie voor het weven van linnen is de oudste nijverheid in de Kempen. Eeuwenlang bleef het leven in Korspel haast onveranderd, omzeggens middeleeuws. Enkel de buitenwereld beïnvloedde het dagelijks leven : vreemde legers die passeerden en plunderden, epidemieën die toesloegen, onze streken werden Oostenrijks, Frans, Nederlands of Belgisch.
Maar in 1901 vond André Dumon in As steenkool! Dit zorgde in gans Limburg, ook voor Beringen en voor Korspel, voor een ommekeer. De “Charbonage de Beeringen” bracht welvaart in de ganse omgeving, dus ook in Korspel. Door een Koninklijk besluit van 24 september 1931 werd Korspel dan een zelfstandige parochie. De grote afstand die de inwoners van Korspel moesten afleggen naar de kerk van Beverlo maakte de oprichting van een zelfstandige parochie wenselijk. De eerste pastoor werd E.H. Martinus Zegers. De man bouwde in korte tijd een noodkerk, een meisjesschool (een jongensschool bestond al sinds 1901), een klooster, de eigenlijke kerk en een pastorij. Hij mag werkelijk de grondlegger van de Heilig Hartparochie genoemd worden. Vanaf 1999 vormt Korspel samen met Beverlo, Beringen-Mijn en Beringen-Centrum de federatie Beringen.Ondertussen is Korspel uitgegroeid tot een moderne woongemeenschap, waar het rustig en aangenaam wonen is.

Koersel

De naam wordt voor het eerst vermeld in 1185. De meeste taalgeleerden leiden de naam Koersel af van de persoonsnaam "cor" en "sala", wat woonplaats betekent, zodat de naam uit de Frankische periode zou dateren.
Als schrijfwijzen vinden we: Corsala, Corsele, Coorsele, Coorsel, Coursele, Couresl, Koersel.
Eertijds behoorde het grondgebied van Koersel tot de parochie Lummen. Op een niet nader te bepalen datum echter werd, door de de zorgen van de leenheer van Lummen, te Koersel een St.Brigida-kapel opgericht.
In 1185 stond de heer van Lummen zijn kerkelijke prerogatieven over Koersel af aan de abdij van Averbode, met het gevolg dat de parochie Koersel haast uitsluitend door Premonstratenzers van de abdij van Averbode werd bediend. Koersel behoorde tot de heerlijkheid Lummen, die eveneens Linkhout en Schulen omvatte.
In 1909 werd met de voorbereidingswerken begonnen voor de uitbouw van een steenkolenmijn en in oktober 1919 werd de eerste steenkolenlaag, op een diepte van 623m bereikt. Deze datum bracht een grote omwenteling teweeg in deze streek.

Uit het in de eerste helft van vorige eeuw in het oosten van Koersel ontstane Mariaoord Onze-Lieve-Vrouw aan de staak ontstond het recreatieoord' t Fonteintje, een gekend bedevaartsoord dat ontstond in 1826. In dit zeer bosrijke gebied en enig mooi natuurkader. staat de uitkijktoren centraal : hij biedt een indrukwekkend panorama op het typisch Kempische landschap, met zicht op de grote vlakte van het militair domein en het mijnbekken.
Het recreatieoord omvat een indrukwekkende speeltuin, een minigolf, trick-pin banen, een fit-o-meter en talrijke oergezellige bivakplaatsen

Paal

Voor de verklaring van de naam Paal zijn er twee mogelijkheden: ofwel Paal als staak, grenspaal; ofwel Paal als moeras. In de loop van de geschiedenis komen we tegen: Pale, Paele, Paelle, Paelre, Pael, Bytinche van Beringen, Buitinghe, Buiting.
Paal of de Buiting behoorde tot de parochie Beringen, evenals Heusden dat zich echter reeds vˇˇr 1400 afscheidde als afzonderlijke parochie.
De Buiting met zijn vier gehuchten maakte twee derden uit van het grondgebied van Beringen en betaalde dan ook twee derden van alle kosten. Op die manier moest de Buiting bijdragen in de kosten van kerk, stadswallen, stadspoorten, enz...
De Private Raad van het prinsbisdom Luik verzette zich steeds tegen de scheiding van Paal en Beringen. Na heel wat strubbelingen werd Paal dan toch in 1708 een iegen parochie. In 1513 was er echter al sprake van een kapel, op de plaats waar nu de kerk staat.
Paal kreeg op zijn grondgebied de kolenhaven van de mijn, de E39 autosnelweg en een industriegebied van nationaal belang.

Domein Paalse Plas omvat een golfpark, een fietsinrijpunt en een watersportcentrum
De veertig hectaren grote waterplas is ideaal voor zachte watersport-recreatie zoals zeilen, surfen, roeien en vissen.
Nabij het watersportcentrum en langs de waterplas zijn er lig- en speelweides.
Het water is er van een uitstekende kwaliteit door de aanwezigheid van meerdere natuurlijke bronnen.
Rond de waterplas, door het golfterrein en het aanliggend natuur-gebied, is een toeristisch fiets- en wandelpad aangelegd.
Dit vormt onderdeel van het fietsroutenetwerk 'Limburgse Kempen'. Fietsers en wandelaars kunnen genieten van de prachtige natuur en ongestoord het golfspel volgen.

Het natuurreservaat
"De Vallei van de Zwarte Beek" is in de loop der jaren uitgegroeid tot het grootste van Vlaanderen.
De Zwarte Beek, de Oude Beek en de Winterbeek, mooi ingebed tussen bossen, moerassen, hooi- en weilanden, vormen een uniek en bijzonder waardevol beekdallandschap, dat in 1992 werd aangeduid als ecologisch impulsgebied

In het bezoerkerscentrum
"De Watersnip" leer je alles over het ontstaan, de ontwikkeling, het beheer en de bescherming van het landschap. Je komt er ook meer te weten over de aanwezige fauna en flora.
Beekdallandschap Zwarte Beek
Het beekdallandschap Zwarte Beek wordt gerekend tot een van de meest waardevolle beekvalleien in Vlaanderen en zelfs in West-Europa. Het strekt zich uit vanaf de flank van het Kempens plateau te Hechtel, op de waterscheiding Maasbekken, tot in Diest waar de Zwarte Beek samenvloeit met de Demer, die behoort tot het Scheldebekken.
Het is één van de weinige beekvalleien waar in het hele stroomgebied, van bron tot monding, aan natuurbeheer wordt gedaan. Natuurpunt vzw beheert momenteel ruim 1.500 ha natuur, maar ook de Vlaamse Gemeenschap en de provincie Limburg dragen hun steentje bij.
De grote waarde van dit gebied ligt in de afwisseling van een aantal zeldzame vegetatietypen en het voorkomen van enkele op Europees niveau bedreigde diersoorten. Getuige hiervan zijn de aanduiding door Europa van grote delen van de beekvallei als Vogelrichtlijngebied en mogelijke aanduiding als Habitatrichtlijn. Ook de waterkwaliteit is naar Vlaamse normen nog behoorlijk. Tevens werd in 1992 de "Vallei van de Zwarte Beek" uitgeroepen tot Ecologisch Impulsgebied. Eén van de redenen hiervoor was dat het stroomgebied van de Zwarte Beek in de jaren negentig nagenoeg de helft van de Vlaamse broedpopulatie van de Watersnip herbergde. Hieraan ontleent het "Vlaams bezoekerscentrum De Watersnip" in Koersel dan ook haar naam.

Brongebied en bovenstroom
In Hechtel-Eksel, ten zuiden van de "Resterheide", ontspringt de Zwarte Beek in een iets lager gelegen weidegebied. Een andere brontak voert water aan vanuit Helchteren. Vlakbij ontstaat ook de Bollisenbeek, die echter niet naar de Schelde stroomt maar naar de Maas. De Resterheide is voornamelijk bebost met Grove en Corsicaanse den. Via het kleinschalig landbouwlandschap rondom de Katershoeve, bereikt de beek het militair domein "Kamp van Beverlo". Dankzij de samenwerking tussen de militaire overheid, Afdeling Natuur (AMINAL) en Natuurpunt vzw, kunnen daar nog heel wat natuurwaarden in stand gehouden worden. Broedvogels als Nachtzwaluw en Boomleeuwerik of doortrekkers zoals Kraanvogel profiteren daarvan. Dankzij het statuut van militair domein worden daar zowat de helft van alle Vlaamse populaties van het zeer zeldzaam Gentiaanblauwtje opgetekend. De afwisseling van landschapstypen zoals overstromingsgraslanden, broekbossen, hooilanden, kleine zeggengemeenschappen, droge en natte heide met landduinen, vennen, heischrale graslanden en hoogveenelementen maken dit gebied uniek in Vlaanderen.
Dankzij de afwisseling aan habitats, de talrijke gradiëntsituaties en de relatieve rust herbergt dit gebied een unieke waaier aan mogelijkheden voor diverse diersoorten. Een goede beekstructuur en vrij zuiver water creëren de laatste overlevingsmogelijkheden voor een soort als de Beekprik. De natuurarbeiders van Natuurpunt vzw en de Vlaamse Gemeenschap, aangevuld met vele vrijwilligers en geholpen door Angus-Aberdeenrunderen, door een kudde Drentse heideschapen (onder begeleiding van herders) en door Noordse fjordenpony's zorgen ervoor dat de biodiversiteit hier gevrijwaard blijft en waar mogelijk wordt uitgebreid.

Middenstroom
Stroomafwaarts van de autosnelweg Hasselt-Luik (E313) verbreedt de vallei sterk. In de middenloop ter hoogte van de "Bocht van Laren" te Lummen is de vallei op haar breedst. De toppen van de Venusberg en de Willekensberg bieden er een weids panorama over de beekvallei. Het landschap is vrij open en in de uitgestrekte graslanden broeden nog heel wat weidevogels. De terugkeer van de Grutto in 2002 is het bewijs dat het gevoerde natuurbeheer zijn vruchten afwerpt. In de buurt van de Gestelse Molen in Paal werd in 2004 een natuurinrichtingsproject uitgevoerd. Enkele oude visvijvers werden geherprofileerd en een verbinding met 12 vistrappen zorgen ervoor dat vissen een hoogteverschil van 1,60 meter tussen de Zwarte Beek en de Oude Beek kunnen overbruggen. Bijkomend voordeel is dat hierdoor een geschikt voedsel- en broedgebied ontstaat voor heel wat water- en moerasvogels zoals Dodaars en Blauwborst. In het middenstrooms gedeelte heeft de Wulp zich de laatste jaren gevestigd en kan de Roodborsttapuit nog in relatief hoge dichtheden worden aangetroffen. Graslanden herbergen interessante soorten zoals Grote en Kleine ratelaar en in de poelen en beken treft men Waterviolier aan.
Benedenstroom en monding

Enkele kilometers verderop, ter hoogte van Meldert en Zelem, op de grens van Kempen en Hageland, wurmt de beek zicht tussen enkele "Diestiaanruggen". De vallei is hier relatief smal en de snelle overgang van zeer natte moerassige gebieden naar zeer droge heuvelruggen maken dit gebied landschappelijk en ecologisch heel waardevol. In het gebied "Schurfert" in Meldert/Linkhout is door de creatie van plas- en drassituaties in het valleigebied opnieuw een ideaal biotoop voor weidevogels ontstaan. Wulp, Roodborsttapuit en Watersnip frequenteren dit gebied alsmaar meer. Ook het "Marais de Zeelhem", momenteel bekend als "de Leunen", was 100 jaar geleden het geliefkoosd excursieterrein voor botanisten en herbergt ook vandaag de dag nog kenmerkende flora, zoals Slangewortel, Waterscheerling, Gagel en heel wat zeggensoorten.
Wanneer de Zwarte Beek, even voorbij het "Rotbroek" in het zicht van "Webbekoms Broek" komt, buigt zij af naar het noorden en loopt tot de monding in Diest parallel met de Demer. Het Webbekoms Broek is een overstromingsbekken in beheer bij de Vlaamse Gemeenschap. Dit moet Halen en een deel van Diest bij hevige regenval vrijwaren van overstromingen. De Velp en de Begijnenbeek kunnen via een aantal 'kunstwerken' worden afgeleid naar dit wachtbekken dat door de jaarlijkse overstromingsfrequentie op avifaunistisch gebied heel wat zeldzaamheden herbergt.

Terug

Bijgewerkt 06.09.09