De ommuurde stad (ville close), het eeuwenoude centrum van Concarneau, ligt op een eilandje in de net 350 m brede en 100 in lange Moros-monding.
De nauwe, geplaveide straten en pittoreske huizen trekken veel bezoekers. De stad is bereikbaar over twee bruggen die bij een zij-ingang met het koninklijke wapenschild uitkomen. De buitenste verdedigingsring met een driehoekige, door hoge muren afgesloten binnenplaats en twee torens maakte de stad onaantastbaar.
De stad, die de 'blauwe stad' wordt genoemd, naar de aan het begin van de 20ste eeuw gebruikte blauwe visnetten, bezit een groot historisch erfgoed.
Het eilandje Le Conq werd sinds de 1Ode eeuw bewoond door de monniken van Landévennec en de oudste versterkingen zijn uit de 13de eeuw. In de 14de eeuw was de eilandvesting de op drie na grootste versterkte stad in Bretagne.
Na een korte Engelse bezetting keerde de hertog van Bretagne in 1373 terug, en na het huwelijk in 1491 van Anne van Bretagne en de Franse koning Karel VIII werd het een koninklijke stad. Vauban versterkte de verdediging in de 18de eeuw.
De eerste visfabriek vestigde zich hier in 1851 en 50 jaar later waren er in Concarneau zo een dertig visfabieken. Toen de sardines hier rond 1905 verdwenen, verkeerden vele gezinnen in financiële problemen, maar met het Fête des Filets Bleus werd voor deze vissers geld ingezameld.

De op twee na grootste Franse vissersbaven in Concarneau produceert per jaar 25.000 ton 'verse' vis.
|