St.-Malo was eind 17e eeuw de belangrijkste havenstad van Frankrijk.
Dankzij hun monopolie haalden reders met hun handel met Oost-Indië veel rijkdommen binnen.
Na Engelse aanvallen in de 17e eeuw ontwierp de architect Siméon de Garangeau een nieuwe versterkte stad.
Tussen 1708 en 1742 groeide St.-Malo in snel tempo. Helaas werd de stad tijdens gevechten aan het einde van de Tweede Wereldoorlog voor zeker 80 procent verwoest.
Bij de herbouw werd het historische karakter gehandhaafd.
Kapers en Piraten
In de 17e en 18e eeuw was St. Malo als 'wespen- en piratennest' een bekende kapershoofdstad. In november 1693 probeerden Engelse strijdkrachten de haven in te nemen met een schip vol kruit, bommen en granaten dat uiteindelijk moest ontploffen. Maar dit mislukte en St. Malo bleef in handen van de kaperkapiteinen, waarvan de bekendste Duguay-Trouin, Surcouf en La Moinerie-Trochon zijn. Duguay-Trouin was kapitein sinds zijn 18e en terroriseerde de zeeën rond IJsland.
De stad met zijn kasteel en zijn stadsomwallingen is ook de stad van ondermeer Jacques Cartier, de ontdekker van Canada, van de poëet Chateaubriand.
Het prachtige fort in het ommuurde stadje St. Malo is alleen bij eb te bereiken. Bij vloed verandert St. Malo in een eiland. Het water stijgt dan met zo'n 13 meter.
|