Belle-Île-en-Mer ('Mooi eiland in de zee') is met een oppervlak van 83,76 km² het grootste bretonse eiland in de Atlantische Oceaan. Het bevindt zich ten zuiden van het schiereiland Quiberon vlakbij de eilanden Houat en Hoëdic.
De Bretonse naam is Enez ar Gerveur ('Citadeleiland'). In de Romeinse tijd heette het 'Vindilis', vandaar in het oud-Bretons 'Gwezel' ou 'Gwedel'. Onder Napoleon werd het ' Île Joséphine' genoemd.
Het eiland heeft een ruwe kustlijn, met vooral aan de oceaan zijde hoge gneis rotsen, afgewisseld met kleine stranden in de inhammen. In het binnenland is het landschap vlak en glooiend.
Vanaf 1765 begonnen Acadiërs zich op Belle-Île te vestigen, nadat ze door de Engelsen verdreven werden uit hun thuisland Acadië, in Noord-Amerika. Velen van hen bleven op het eiland, waardoor heden tendage een groot deel van de eilanders Acadiërs als voorouders hebben.
Belle-Île bestaat uit vier gemeenten:
- Bangor, een dorp gelegen in het binnenland.
- Locmaria, een dorp gelegen in de noordpunt van het eiland.
- Le Palais, de belangrijkste haven.
- Sauzon, de tweede haven.
|