Flavius Josephus

 

Flavius Josephus (Josef ben Matitjahoe;37-100) was een Joodse geschiedschrijver, afkomstig uit de priesterfamilies die de tempeldiensr verzorgden te Jerusalem.

Aanvankelijk deed Josephus mee aan de Joodse opstans in het jaar 70 waarbij Jerusalem en de Joodse tempel verwoest werden door de Romeien. Hij werd in een vroeg stadium van deze opstand gevangen genomen en dankt hieraan waarschijnlijk zijn overleven. Later werd hij bevriend met de Romeinse bevelvoerder die de opstand moest neerslaan, de latere keizer Titus, die hem gratie verleende, meenam naar Rome en een inkomen verschafte. Uit dankbaarheid hiervoor beschreef Josephus in het Grieks de Geschiedenis van de Joden vanaf de schepping tot aan zijn eigen tijd, waarin deze werd uitgelegd voor Griekse en Romeinse lezers. Ook schreef hij een verslag van de Joodse opstand bekend als De Joodse Oorlog.

Voor veel Joodse tijdgenoten was Josephus een verrader die met de Romeinen collaboreerde maar voor historici is zijn werk van onschatbare waarde om een gedetailleerd inzicht te kunnen krijgen in de gebeurtenissen in het oude Israël en het Midden-Oosten na de periode van het Oude Testament en rond het begin van de jaartelling. Deze periode is mede door toedoen van het moderne zionisme uitgelicht in de Joodse geschiedenis.

Ook voor de studie van het vroege chrisdendom is Flavius Josephus van betekenis. Zo is er een passage over Jezus, het zogenaamde Testimonium Flavianum (Antiquitates Judaicae, XVIII.3.3). De authenticiteit hiervan is overigens omstreden. Een andere passage gaat over Jacobus de halfbroer van Jezus, die een leidende rol speelde in de joods-christelijke gemeente in Jerusalem. Volgens deze passage zou Jacobus tezamen met enkele geestverwanten op last van de hogepriester Ananus wegens het overtreden van de joodse wet zijn gedood door steniging (Antiquitates Judaicae, XX.9.1200).