Mode Lexicon

 

A B C D E F G H J K L M N O P R S T V W Y Z

 

 

A-lijn:
Een modelijn geïntroduceerd door Christian Dior in 1955. Smalle schouders, geaccentueerde heupen, een verlaagde taille en een wijde klokrok zijn de kenmerken van deze lijn. Chanel bracht in de winter van 1998-1999 deze lijn in een gematigde
vorm terug.

Accessoire:
Voorwerpen die het totaalbeeld compleet maken. Accessoires zijn oa handtassen, schoenen, sjaals en sierraden.

Acetaat:
Een synthetische stof die werd gebruikt ter vervanging van satijn en zijde.

Acryl:
Een synthetische stof die als alternatief wordt gebruikt voor wol of in combinatie ermee.

Aigrette:
Versiering van veren met spelden of diadeem vastgemaakt op het haar of een hoed.
Het was Poiret die deze versiering lanceerde in de jaren '20.

Alcantara:
Een imitatie van suède

Alpaca:
Zeer fijne, zachte, glanzende vezel afkomstig van een lamasoort.


Alta moda pronta:
Italiaanse prêt-à-porter


Angora:
Vezels afkomstig van het angorakonijn of de angorageit.

Anklet:
Heeft zijn naam te danken aan het Engelse woordje "ankle" wat enkel betekent. Het
gaat hier dan ook om een enkelsok.

Anorak:
Kort jack dat tot op de heupen komt.

Avant-garde:
Strekking die steeds vernieuwend, vooruitstrevend en experimenteel tracht te zijn


Babushka:
Een Russische boerensjaal die in de nek of onder de kin wordt vastgeknoopt.

Babydoll:
Tweedelige nachtkleding bestaande uit een slip en een hemdje. De babydoll dankt zijn naam aan de gelijknamige film uit 1956.


Balaklava:
Bivakmuts.

Balein:
Element gebruikt in de boord van een hemd om deze te verstevigen. Baleine (met e) is Frans voor walvis en men gaf het deze naam omdat men voor dit element vaak een onderdeel van een walvis gebruikte.

Ballonrok:
Een wijde damesrok waarbij men de stof onderaan bij elkaar bindt. Onder andere Hubert de Givenchy gebruikte het model in zijn collecties.

Battledress:
Een kort jasje voor dames en heren. Dankt zijn naam aan het militaire uitzicht, het is immers spannend in de taille en heeft een bloezende rug.

Bolero:
Oorspronkelijk behoorde de bolero tot de Spaanse klederdracht. Het is ofwel een kort jasje met lange mouwen dat op de taille eindigt of een rond, klein hoedje met omgeslagen rand.


Boothals:
Een halsopening van schouder tot schouder. Dankt zijn naam aan het feit dat het eruit ziet als de onderzijde van een boot.


Burberry ruit:
Deze beroemde ruit werd het eerst gelanceerd door het merk Burberry. De ruit bestaat uit de kleuren beige, rood, zwart en wit.


Camel:
Duid op de lichtbruine kleur of op de vezels van de haren van een kameel.

Cape:
Schoudermantel.

Capribroek:
Ook wel kniebroek of vissersbroek genoemd omdat de broek stopt onder de knie. Het was een zeer populaire broek in de jaren '50 en was terug "in" in de jaren '80 en '90.

Cashmere:
Fijne, zachte stof vervaardigd van het wol van de cashmere-geit.


Chemisejurk:
Ook overhemdbloes genoemd. Een sportieve doch elegante doorgeknoopte jurk die met opstaande kraag en riem wordt gedragen.

Chino:
Katoenen broek.

Choker:
Een halssjaaltje dat ook foulard genoemd wordt.

Collectie:
Een selectie modellen van een ontwerper.

Confectie:
Kleding gemaakt op grote oplage.

Corduroy:
Ribstof met ribbels in de lengterichting.

Crêpe de Chine:
Ragfijne, doorzichtige stof van natuurzijde

Crêpe Georgette:
Een stof die vanaf 1912 werd gebruikt voor feestjurken en de naam dankt aan de ontwerpster die deze zware korrelige stof gebruikte.


Defilé:
Modeshow, presentatie van de laatste mode of een collectie.


Dirty wash:
Het effect dat men bij jeans gebruikt om het er vuil (dirty) te laten uitzien.

Double face:
Stoffen die je aan beide zijde kan gebruiken.

Driedelig kostuum:
Een kostuum bestaande uit een broek, een jasje en een vestje (gilet).

 

Empirestijl:
Dateert uit de periode van Keizer (Empire) Napoleon I. De snitvorm van de jurk en mantel met hoge riem of naad onder de borsten keert regelmatig terug.

Engelse naad:
Een dubbel gestikte naad die een zeer propere afwerking uitstraalt.

Engelse ruit:
Ook Prince de Galles genoemd. Twee ruiten lopen steeds over elkaar. De Engelse ruit wordt veel gebruikt bij jacquets.


Fez:
Genaamd naar de Marokkaanse stad. Het hoedje waarmee komiek Tommy Cooper wereldberoemd werd. Het is een klein rood hoedje zonder rand en met een zwarte kwast.

Five pocket broek:
Zoals de term laat uitschijnen: een broek met 5 zakken. Twee zaken bevinden aan de achterzijde, twee aan de voorzijde en 1 klein zakje bevindt zich in de rechtervoorzak.
Komt vooral voor bij jeansbroeken.

Flanel:
Een katoenen stof met 1 of 2 ruwe zijden.

Fly front:
Rits of knopen aan de voorkant van een broek.

Foulard:
Een halssjaaltje dat ook choker genoemd wordt.

Foundation:
Nauwaansluitende, elastische onderkleding voor dames. Gaultier maakte er samen met popster Madonna ook bovenkleding van.

Froedaaljurk:
Ook kokerjurk genoemd.
Nauwsluitende, rechte jurk zonder kraag in diverse lengten die ook bekend staat als de kokerjurk.
Deze jurk werd gelanceerd in 1918 en werd bekend in de jaren '60 als de Jackie-O-jurk.

 

Galon:
Een smalle strook van geweven stof die gebruikt wordt bij de versiering van hoeden en jurken.

Gaufreren:
Met behulp van een heet ijzer, figuren persen in een stof.
Deze term dankt uiteraard zijn naam aan de wafels (gauffres) en meer bepaald aan het wafelijzer.

Geweven das:
Wanneer het weefsel van de das schuin wordt gesneden, ontstaat er meer rek bij de knoop.

Gigot:
Pofmouw.

Gipsy-look:
Succesvolle look in de jaren '70 gekenmerkt door volantrokken, puntzomen, diepe decolletés, onder de borst geknoopte blouses en weelderige zilveren sieraden.

Grunge-look:
Kleding bestaande uit versleten jeans en smoezelige truien. De trend werd ingezet
door muziekgroepen zoals Nirvana en Pearl Jam, bekend van de grunge-rock.

H-lijn:
Een jurk met geaccentueerde rok, een nauwsluitend bovenstuk en smalle heupen. De H-lijn werd geïntroduceerd door Christian Dior in 1954-55.

Halternek:
Bandjes van een bovenstuk die vanaf de borsten in de nek bijeen komen. De halternek is een vaak gebruikte toepassing bij de bikini.

Harembroek:
Een stofrijke pofbroek met boord rond de enkels. Deze broek werd ontleend aan de Turks-Arabische cultuur (van daar ook harembroek) en was een succes in de jaren '70 en eind jaren '80. De harembroek werd geïntroduceerd door Paul Poiret.

Haute Couture:
Exclusieve maatkleding naar modellen van een collectie die past bij het jaargetijde
en die toonaangevend is voor de mode.

Heupbroek:
De taille van deze broek zit niet op het middel zoals gewoonlijk maar op de heupen.
Op regelmatige basis komt deze broek terug in de mode.
De heupbroek wordt vandaag de dag gebruikt om de navel (al dan niet met piercing) te tonen.

Hippiemode:
De niet aan regels gebonden, kleurrijke mode uit de jaren '60 met veel jeans, bloemenprints en stukken uit vreemde landen zoals eskimomutsen, poncho's, ...

Hotpants:
Zeer kort, strak broekje dat het achterwerk net bedekt. De hotpants waren hot in '71-'72

 

Jack:
Bovenkleding die tot op de heup komt of er net onder.

Jacquet:
Het jacquet heeft lange panden en wordt altijd gedragen
in combinatie met een gestreepte pantalon en een zwart of grijs vest.
Het wordt alleen overdag gedragen, tot aan het diner.
Bij een bruiloft is voor de bruidegom en de directe familieleden de kleur van het vest, das, hoed en handschoenen altijd grijs, voor belangstellenden is het vest zwart.

Jeans:
Levi Strauss was de uitvinder/ontwerper van deze sterke werkbroek
die toen door de Amerikaanse goudzoekers werd gebruikt.
Omwille van de versterkingen met koperen spijkertjes wordt deze broek
ook wel eens spijkerbroek genoemd.
SInds de jaren '50 behoort de jeans tot de vrijetijdskleding.

Jersey:
De naam voor verschillende soorten tricotage die zacht en wollig aanvoelen.

 

Kaftan:
Een rechte jurk met een doorlopende knopenrij.

Kimono:
Kaftanachtige, van voor over elkaar geslagen kledingstuk met een riem en wijde mouwen.
Dit kledingstuk werd ontleend aan de Japanse cultuur.

Kloklijn:
Een wijde snit waarbij de taille zichtbaar zeer hoog ligt en die wijd uitloopt naar onderen.
Deze snit wordt vaak gebruikt bij mantels en jurken.

Kniebroek:
Ook wel capribroek of vissersbroek genoemd omdat de broek stopt onder de knie.
Het was een zeer populaire broek in de jaren '50 en was terug "in" in de jaren '80 en '90.

Knickerbocker:
Broek die komt tot net boven de kuiten.

Kokerjurk:
Ook foedraaljurk genoemd. Nauwsluitende, rechte jurk zonder kraag in diverse lengten
die ook bekend staat als de kokerjurk.
Deze jurk werd gelanceerd in 1918 en werd bekend in de jaren '60 als de Jackie-O-jurk.

Krijtstreep:
Klassiek weefpatroon waarbij fijne strepen
op een regelmatige afstand van millimeters tot 2 centimeter naast elkaar geweven worden.
Hierdoor worden meestal de lichte strepen zichtbaar op de donkere stof.

Kuitbroek:
Broek waarvan de pijpen niet langer komen dan halverwege de kuit.

 

Label:
Het etiket waaronder een collectie wordt verkocht.

Laisse:
Hoedenlint

Latex:
Een soort rubber waarvan ook kleding wordt gefabriceerd.

Legging:
Zeer nauwaansluitende broek zonder sluiting

Lingerie:
Verzamelnaam voor nacht- en onderkleding.

Linnen:
Een natuurlijke vezel afkomstig van vlas.

Lumberjack:
Een jas die tot op de heup reikt en vaak met doorlopende sluiting,
gebreide boorden en manchetten.

 

Mantelpakjel:
Tweedelig pak voor vrouwen bestaande uit een rok een een jasje.

Maxi:
Als reactie op de mini-mode verschenen er lange jurken en enkellange mantels.

Midi:
Net als bij de Maxi was dit een reactie op de mini-mode.
Bij midi-mode verschenen er jurken, rokken en mantels op kuitlengte.

Mini:
Zeer korte jurken en rokken waarbij de afstand tussen taille en zoom minder is dan 50 centimeter .

Moiré:
Weefsel met vlammenpatroon.

Mousseline:
Zeer fijn, licht en zacht weefsel van wol of katoen genoemd naar de stad Mossul.


Naadzak:
Een zak die in de zijnaad van een kledingstuk is verwerkt.

New Look:
De New Look was herlancering van de Haute Couture na de Tweede Wereldoorlog
en was geïnspireerd op de mode van de jaren '30 en '40.
De mode werd gekenmerkt door smalle, ronde schouders,
een smalle taille en geaccentueerde borsten en heupen.

No-Iron:
Engelse uitdrukking dat het kledingstuk niet hoeft gestreken te worden.


Nubuck:
Leer dat bewerkt is om het een fluweelachtig oppervlak te geven.

Nylon:
Kunstvezel van polyamide.


Omslag:
Ook zoom genoemd. Het omgeslagen deel aan de onderkant van een broek.

Overgooier:
Rond de schouders smalle jurk zonder taille die recht valt.
Een voorbeeld hiervan is de reformjurk.

Overhemdjurk:
Ook chemisejurk genoemd.
Een sportieve doch elegante doorgeknoopte jurk die met opstaande kraag en riem wordt gedragen.

Oxford-broek:
Een wijde broek die zijn naam dankt aan de Engelse universiteit waar de studenten,
die deze broek introduceerden in de jaren '20, les volgden.


Paillet:
Glinsterend metalen of kunststofplaatje ter decoratie van kledingstukken.

Paletot:
Kort overjasje met revers

Parka:
Knielange jas met grote zakken en vaak in olijfgroene kleur.


Paspel:
Smalle omboording langs de rand en sierstreep tussen deelnaden.

Patchwork:
Decoratieve samenstelling van verschillende lapjes stof (elk met hun eigen kleur en motief).


Perlon:
Kunstvezel van polyamide zoals nylon maar minder soepel.

Pijpbroek:
Nauwaansluitende broek met smalle, recht pijpen.

Pincollar:
Boord van een hemd waarvan de punten via een stangetje (onder de das) met elkaar verbonden zijn.

Plissé:
Stof met ingeweven plooien waardoor er een structuur ontstaat.

Poloshirt:
Shirt van elastische stof met korte knopenrij en een slappe, platte kraag.
Het polo-shirt heeft vaak ook korte mouwen maar dit is niet noodzakelijk.

Potloodlijn:
Deze lijn, geïntroduceerd door Christian Dior, werd gekenmerkt door smalle,
rechte rokken die smal toeliepen.

Prêt-à-porter:
Letterlijk "Klaar om te dragen". Houdt het midden tussen de Haute Couture, die zeer speciaal en exclusief is, en de confectie, die zeer conventioneel en seriewerk is.
Prêt-à-porter kan men dan ook "onconventionele confectiekleding"
naar een model van een couturier" noemen.

Provo-look:
Deze look die vooral eind jaren '60, begin jaren '70 populair was, werdgekenmerkt
door een "gestylde" slordigheid inclusief afgedragen jeans, versleten truien en oude herenvesten.


Reformjurk:
Een rechte, wijde jurk, die slechts met bandjes op de schouders wordt vastgemaakt.
De jurk heeft geen taille en was in zijn periode (rond 1910) niet erg populair.

Revers:
Jas- of mantelomslag die met de spiegelnaad aan de kraag is genaaid.

Reversible:
Aanduiding dat een kledingstuk aan beide zijde draagbaar is.


Satijn:
Een uiterst glad geweven stof,
van zijde maar ook van katoen en viscose, die een glans vertoont.

Schiller-kraag:
Een liggende, van voren open kraag die genoemd werd naar de Duitse dichter Schiller.

Schuin van draad:
Wanneer men een kledingstuk schuin ipv recht uit een stof knipt,
gaat het stuk anders vallen en krijg je ook meer rek in de stof zelf.

Shetland:
De naam ontstond naar analogie van de wol die uit de Shetlandeilanden kwam
maar wordt nu meer als een algemene term gebruikt voor stoffen
van los gedraaide garens die hard aanvoelen.


Slipover:
Ook "debardeur" genoemd.
Een trui zonder mouwen die over een hemd of blouse wordt gedragen.

Smockwerk:
Borduurwerk waarbij verticale plooitjes door horizontale toeren,
borduursteken bijeen worden gehouden.

Smoking:
Het gaat om een herenkostuum dat recht afgesneden is onderaan en brede revers heeft.
Op de broek vinden we biezen langs de zijnaden.

Snit:
De wijze waarop of de vorm waarin een kledingstuk uit stof wordt gesneden.

Stolpplooi:
Een naar binnen vallende plooi,
die onder andere op rugpanden van jassen wordt gebruikt.

Strompelrok:
Een enkellange jurk met een bontrand.
Men droeg hierbij voetboeien om te vermijden dat de rok zou gaan scheuren.
Het was Paul Poiret die het model lanceerde in 1910.

Suède:
Een bewerkte leersoort die het uiterlijk krijgt van velours

Teddy Boys:
Modieuze jeugdbeweging in de jaren ' 50 in England.
Kenmerkend waren de donkere, overdreven lange colberts, nauwe broeken,
smalle dassen, puntige schoenen en het onvermijdellijke bebopkapsel met vetkuif.

Tenue de ville:
Ook stadskleding genoemd.
Deze vermelding op uitnodigingen betekent dat men verwacht dat de heren in kostuum
en de vrouwen in mantelpakje komen.


Trapezelijn:
Het silhouet heeft de vorm van een trapeze wat betekent: smalle schouders en geen of wijde taille.
Yves Saint-Laurent lanceerde deze lijn in 1958 en gaf haar deze naam.

Tricot:
Rekbaar katoen.

Trompe-l'oeil:
Een ingeweven vorm die voor een optisch bedrog zorgt.
Voor het eerst gelanceerd door Elsa Schiaparelli maar later ook toegepast door Yves Saint-Laurent.

Turtle neck:
Een klein boordje bij een trui die net aan de hals aanligt.

Tweed:
Een dikke wollen stof, met de hand geweven, die vaak voor jassen gebruikt wordt.
De stof is vooral bekend van de Chanel-pakjes.

Twinset:
Een combinatie van een truitje en een bijpassend vest gemaakt van dezelfde stof of
met eenzelfde patroon.

 

Vadermoordenaar:
De benaming van een opstaande boord bij een overhemd.
Dit soort hemd wordt vooral gedragen bij smokings en rokkostuums.

Valse zoom:
Wanneer men een broek of jasje langer maakt, gebeurt het dat men een omslag
maakt aan de binnenkant in een andere stof. Dit noemt men dan een valse zoom.

Vicuna:
Een soort wol. Niet afkomstig van schaap maar van een bepaald soort lama.

Vinyl:
Een kunststofweefsel waarvan sterke kunststoffen werden gemaakt.
Een populaire stof in de jaren '60. Nu nog gebruikt voor regenkleding.

Vissersbroek:
Ook wel kniebroek of capribroek genoemd omdat de broek stopt onder de knie.
Het was een zeer populaire broek in de jaren '50 en was terug "in" in de jaren '80 en '90.


Wespentaille:
Een zeer smalle taille die ontstond in de 19de eeuw door het dragen van een korset.
Hubert Givenchy gebruikte deze taille een aantal keer in zijn ontwerpen.

Wijd uitlopende pijpen:
Een toonaangevende broek in de jaren '70 en die nog eventjes terugkwam in de jaren '90.
De broek begint strak van boven tot op kniehoogte
vanwaar ze kegelvormig naar beneden uitloopt.

Wol:
Een dierlijk vezel, afkomstig van het schaap.
Wol heeft als eigenschap dat het een enorm warmte-isolerend vermogen heeft.

 

Y-lijn:
Een modelijn geïntroduceerd door Christian Dior in 1955-1956.
Het silhouet bestaat uit een hals met een brede reverskragen, een strak bovenlijfje met een V-vorm gecombineerd met een nauwe jurk of rok. Het silhouet ziet er dan ook uit als een Y.

Zijde:
Product van de zijderups gebruikt bij het weven.
Verschillende bewerkingen van de grondstof zorgen voor verschillende soorten van kwaliteit.

Zoom:
Ook omslag genoemd. Omgeslagen deel aan de onderkant van een broek of pantalon.

Zuiver scheerwol:
Een soort wol dat te herkennen is aan het beeldmerk (Woolmark).


Terug